</head><body>

Proloog

woensdag, februari 13, 2008


Dit is de proloog van een kortverhaal. Dit is dus absolute fictie. Fictie.

Ik heb het gevoel dat mijn hele leven me door de vingers aan het glippen is. Ik lijk er gewoon geen grip meer op te hebben. Ik herinner me al niet meer hoe lang ik hier nu al lui en apathisch in mijn kamer zit. Het lijkt wel een eeuw geleden dat ik nog echt contact gehad heb met iemand. Geheel machteloos kijk ik toe hoe de tijd dag na dag aan me voorbij gaat. Als een verfoeide defaitist zit ik te wachten tot de toekomst me betere dagen brengt in plaats van er zelf iets aan te doen. Al te gemakkelijk verval ik terug in die gewoonte. Een duistere storm hangt om me heen. Een duistere storm die kort en hevig zal zijn, waarna misschien de zon wel weer door de wolken zal komen. Die gedachte brengt me echter geen soelaas want de storm barst nu pas echt in alle hevigheid los en ik leef nu, niet morgen. Ik ben bang nu. Niet morgen. Morgen begint de toekomst misschien wel, morgen schijnt de zon misschien wel. Morgen zal ik misschien zo druk bezig zijn dat ik de storm en de wolken al helemaal vergeten zal zijn. Maar ik leef nu. Niet morgen.

Ik loop te dicht bij de rand. De rand van de afgrond die zo intrigerend is, zo veel mysterieuze aantrekkingskracht heeft. Misschien brengt de afgrond wel vrede, verlossing en stilte. Misschien is het eenvoudiger als ik gewoon toegeef aan de duisternis en mij gewoon laat afglijden. En toch weet ik dat de gemakkelijke uitweg geen oplossing is. De verleiding is niet echt reƫel maar veeleer een hersenspinsel die mijn duistere kant voedt als het even niet meer lukt te glimlachen. Keer op keer zeg ik vastbesloten dat ik mijn leven op eigen kracht moet omdraaien. Keer op keer heb ik de beste voornemens. En toch sta ik hier weer aan de rand. Heel even wil ik mij laten afglijden en ingeven aan de duisternis. Even moet ik de angst in mijn hart binnenlaten en zijn verschroeiende schade laten aanrichten. Heel even zal mijn kleine wereldje donker, eenzaam en pijnlijk koud zijn. Uit deze korte momenten van zwakheid zal ik mijn kracht putten en hopelijk zal ik op tijd terug de wil vinden om het nog maar eens te proberen. Misschien komt er voortijds iemand langs die mij opnieuw die motivatie geeft om het echt waar te maken.

Voor zo lang zag ik mezelf door haar ogen en ik hield niet van wat ik zag of dacht te zien. Ik ben steeds meer voeling beginnen krijgen voor wie ik eigenlijk zou willen zijn maar dat was het eenvoudige gedeelte. Voor heel veel mensen heb ik al lang afgedaan en dat ontneemt me al te vaak de moed alvorens echt te beginnen. Defaitist.

Ik voel me verloren en alleen en ik wil de kracht van die emotie volledig tot ontplooiing laten komen. Ik wil die vernieling door me heen laten gaan en mijn hele ziel aan stukken rijten en dan met kleine bebloede stukjes een canvas bespatten om zodoende een luguber meesterwerk van monotoon rood te scheppen. Kleine vlijmscherpe scherven van een vernielde spiegel. Een spiegel die enkel de afgrond liet zien, een lege geest die opgeslorpt wordt door de leegheid van een zinloos bestaan in een wereld die de ware niet kan zijn. Kleine vlijmscherpe scherven die hun gekartelde randen steeds dieper kerven in mijn vlees. Mijn vege lijf laat traag los van haar meest begeerde bezitting, een gebroken ziel die traag afglijdt naar een onderwereld van verliezen en reeds verloren zijn. Als morgen de aaseters komen en zich tegoed doen aan mijn ondergang, wie zal mij vervloeken voor mijn zwakheid? Wie zal mij vervloeken voor mijn eindeloze vlucht in het lege en abjecte zijn van het niet zijn? Geef mij de kracht om de scherven te weerstaan en de moed om in de spiegel te kijken zonder die aan diggelen te slaan.

Een eindeloze monoloog van pseudo-diepzinnige krankzinnigheden, aaneengeschakelde woorden die enkel in mijn hoofd een zin vormen. Ik wil zoveel meer bezitten dan ik heb. Ik kijk weemoedig toe hoe de spiegel mijn lege leven weerspiegelt. Ik wil iets scheppen, ik wil ontdekken, ik wil groeien maar ik voel mij gevangen in een kamer, een routine, een lichaam dat te zwak is om mijn verlangens naar meer te accommoderen. Geef mij de kracht om mijn ingebeelde ziekten te overkomen. Gevangen in de liefde en de inertie van een ontluisterd hart. Ik wil mijn mama. Ik wil een leven dat ik nooit gekregen heb. Ik wil zoveel dat mijn verlangen me in duizend stukken rijt. Verlos me van de pijn.

Mijn hoofd bonzend en mijn handen trillend. Ik snak naar adem als ik me plots gewaar word dat ik vergeet te ademen. Ik duizel en het wordt zwart voor mijn ogen. Ik dreig voor eeuwig verloren te gaan in de duisternis van de schaduw van mijn verlangens. Ze overweldigen me, grijpen me bij de strot en ik word angstig. Ik sla in paniek en verlies mijn zelfvertrouwen. Ik vecht terug maar de storm barst los en hevige wind en regen slaan in mijn aangezicht terwijl ik met mijn armen zwaaiend de vlakte op ga. Ik raak het noorden kwijt en grijp om me heen tot ik haar vind. Heel even sleurt ze me mee, uit de wind en regen, geeft ze me hoop. Ik glimlach en alles valt heel even van mijn schouders. Dan daagt het me dat wat ik zie veeleer een illusie uit het verleden is en dan zegt ze dat ze moet gaan. De tijd vliegt en ik zit weer alleen in een kamer. Een traan, een snee en een verloren onschuld. Verdriet siert je niet.

Vluchtig probeer ik tevergeefs een grap te maken over angstige tieners. Ik spot heel even met de emo cultuur die zichzelf telkens weer verliest in zelfmedelijden en depressie. Toch een glimlach maar al gauw is de pijn er weer. Ik zal mezelf nooit snappen zonder hen te snappen. Of misschien toch. Ik verdrijf de gedachte want ze druist in tegen zoveel dingen die ik probeer te verdringen. Zo diep wil ik de angst niet binnen laten. Oppervlakkig woed de storm en alles wat daar leeft schud op zijn grondvesten.

Ik hou op mijn verdriet te voeden en laat de storm zachtjes uitrazen. Ik ga slapen in een wereld waar alles had gekund, waar alles kan en alles zal kunnen. Morgen sta ik op en ben ik herboren. Morgen schijnt de zon. Ik heb de storm doorstaan. De schade is niet miniem maar misschien vind ik morgen de moed om terug op te bouwen wat vanavond verloren is gegaan. Morgen geef ik mezelf nog een kans. Ik zal mezelf terug leren vertrouwen want dat is de eerste stap om haar terug te leren vertrouwen. Misschien doorstaan we ooit samen nog een storm. Ik hoop dat ze me dan een hand geeft zodat ik haar kan beschermen.

Druk me aan je borst, Hypnos, en neem me mee naar morgen.

opgehoest door Sicyon
23:02
[-] 1 aanklacht(en)

--------------------------------------------------------